Ik bevind me niet langer in het vertrouwde,
maar ben nog niet aangekomen in wat nieuw is.
Dat weet ik, niet omdat ik het doorzie,
maar omdat mijn lichaam het al voelt.
Wat ik ken, functioneert nog steeds.
Maar het past niet meer helemaal.
Niet omdat het verkeerd is,
maar omdat het te beperkt is geworden
voor wat in mij is gegroeid.
Ik vlucht niet,
maar stap bewust uit wat me vroeger droeg.
Mijn manier van bewegen is veranderd.
Niet beter of hoger, gewoon ruimer.
Ik sta waar ik nu sta.
Zelfs al kan ik die plek niet aanwijzen,
diep vanbinnen weet ik dat ik hier thuishoor.
En dat is genoeg.
De anderen zijn er nog steeds, ik voel hun nabijheid.
De wereld gaat mee, om me heen, in en door mij heen.
Dat is geruststellend.
Maar het voelt anders dan vroeger.
Vertrouwde mensen lopen nog met me mee,
maar onze wegen lopen niet altijd synchroon.
Sommigen blijven achter.
Maar ik hoef ze niet terug te halen, maar los te laten.
Wat bij me hoort, zal me vinden. Dat vraagt geen uitleg.
Het oude loslaten kan je niet met denken alleen oplossen.
Je leert dit dragen met je hele zijn.
Mijn vermoeide denkende hoofd mag dus even rusten,
terwijl ik mijn hart en gevoel nu meer ruimte geef.
Ik ben niet verdwaald, maar leer navigeren zonder vaste kaart.
Niet door steeds harder te hollen, om snel te herstellen,
maar door langzamer te gaan tot de richting zich aftekent.
Ik ben onderweg zonder duidelijke bestemming.
Nu oefen ik een andere vorm van vertrouwen:
niet weten waarheen, maar voelen wanneer.
Dit is een tussenruimte.
Geen leegte, geen eindpunt.
Een overgang die om belichaming vraagt.
Daarom blijf ik aanwezig.
Niet om vast te klampen aan het oude,
maar om ruimte te maken voor wat mag ontstaan.
Mijn plek ontstaat daar waar ik blijf staan.
Mijn werk groeit uit waar ik echt aanwezig ben.
Mijn richting wordt zichtbaar terwijl ik beweeg.